In een hoek van een universiteitsgang, achter glas dat licht spiegelt, staat een trechter boven een eenvoudig bekerglas. Bezoekers lopen er soms achteloos aan voorbij, studenten wijzen er fluisterend naar, docenten kijken even op hun horloge en lopen door. Toch gebeurt hier iets dat onze eigen tijdsbeleving tart. De opstelling lijkt stil, bijna vergeten, maar van binnen is ze onafgebroken in beweging. Wat hier druppelt, is niet alleen een teerachtige vloeistof. Het is ook een ander soort tijd.
Een zwarte trechter die nooit ophoudt
Wie de ruimte binnenstapt waar het experiment staat, ziet geen flitsende schermen of ronkende apparatuur. Alleen een glazen stolp, een zwarte, glanzende massa in een trechter, en daaronder een leeg ogend bekerglas dat allang niet meer leeg is. De lucht ruikt neutraal, de temperatuur is constant. Niets verraadt dat dit volgens de recordboeken het langstlopende laboratoriumexperiment ter wereld is.
De instelling begon in 1927, toen de Australische natuurkundige Thomas Parnell besloot een eigenaardig idee serieus te nemen. Hij vulde een afgesloten trechter met pek, een teerachtig restproduct dat ooit scheepsrompen moest beschermen tegen het zoute water. Bij kamertemperatuur voelt pek hard aan, als een steen die al eeuwen niets heeft meegemaakt. Maar in de taal van de natuurkunde is het een vloeistof, zij het een extreem trage: naar schatting zo’n 100 miljard keer stroperiger dan water.
Een knip met een schaar, en dan wachten
Pas drie jaar later, in 1930, knipte Parnell de hals van de trechter open. Een onopvallend moment, zonder fanfare, maar formeel het startschot van wat bekendstaat als het Pitch Drop Experiment. Vanaf dat ogenblik mocht de pek vrij bewegen, uitsluitend gestuurd door zwaartekracht en de eigen stroperigheid.
Bewegen is hier een ruim begrip. De pek zakte traag door de trechterhals, rekte uit, vormde een druppel, maar liet zich niet opjagen. Het duurde acht jaar voordat de eerste druppel uiteindelijk losliet en in het bekerglas terechtkwam. Geen spectaculaire plons, eerder een geluidloze capitulatie na jaren van rek en spanning. Sindsdien zijn in bijna een eeuw tijd negen druppels gevallen, de laatste in 2014.
De druppel die niemand ooit heeft zien vallen
Dat is misschien het meest opvallende detail: niemand heeft tot nu toe een druppel echt live zien vallen. Niet met het blote oog, niet overtuigend op beeld. De druppel hangt, wordt langzaam dunner, lijkt elk moment te kunnen loslaten, en dan is hij opeens – ergens tussen twee controles door – verdwenen. De volgende druppel ligt dan al als een zwarte, glimmende bel in het glas eronder.
In de loop van de decennia zijn de middelen om te kijken verfijnd. Waar Parnell het moest doen met periodieke blikjes in het bekerglas, hangen er tegenwoordig camera’s en staat er een livestream open voor iedereen die eindeloos wil toekijken. Maar technische storingen, stroomuitval en falende opnames hebben ervoor gezorgd dat het eigenlijke breekpunt – het moment waarop de druppel knapt en valt – telkens net wordt gemist. De natuurkunde is vastgelegd in formules, de beslissende seconde blijft een soort spookbeeld.
Een estafette van geduld
Na de dood van Parnell ging het experiment niet uit. Het werd doorgegeven. In 1961 nam de natuurkundige John Mainstone de zorg voor de opstelling op zich. Hij maakte er zijn levenswerk van, zonder dat het zijn enige onderzoekslijn was. De trechter hing op de achtergrond van colleges, vergaderingen, promoties. Tussendoor keek hij, controleerde hij de glasplaat, noteerde hij data.
Mainstone bleef meer dan een halve eeuw lang de bewaker van dit trage verhaal. Hij maakte mee hoe in de jaren tachtig airconditioning in het gebouw werd geïnstalleerd. De temperatuur werd stabieler en iets lager. Voor mensen nauwelijks merkbaar, maar voor de pek genoeg om nóg trager te gaan lopen. De druppels volgden elkaar vanaf dat moment met langere tussenpozen op, alsof het experiment zich had aangepast aan een nieuw klimaat.
Ironisch genoeg miste Mainstone in 2000 een vallende druppel door een onweer dat de videobeelden verstoorde. Jaren later, in 2014, viel de volgende druppel kort nadat hij was overleden. Twee natuurkundigen – Parnell en Mainstone – wijdden hun carrière aan een experiment waarvan ze het meest symbolische moment nooit met eigen ogen zagen.
De derde hoeder en de tiende druppel
Vandaag is het Andrew White, hoogleraar natuurkunde, die over de opstelling waakt aan de Universiteit van Queensland. Hij erfde niet alleen een stuk historische apparatuur, maar ook een bijna filosofische erfenis: de plicht om een experiment voort te zetten dat nauwelijks meetbare spanning biedt, maar wel onverkort doorloopt.
Onder zijn toezicht wordt de opstelling zorgvuldig onderhouden en digitaal bewaakt. De trechter, het glas, de beveiligde omgeving – alles is erop gericht de pek ongestoord haar gang te laten gaan. De natuurkunde voorspelt dat ergens in de jaren 2020 een tiende druppel zal vallen. Of dat vandaag is, volgend jaar, of pas richting het eind van het decennium, laat zich niet precies zeggen.
Voor wie er dagelijks langsloopt, is de traagheid juist de charme. De druppel hangt als een kleine herinnering aan schaal: laboratoriumtijd tegenover mensenlevens, zwaartekracht tegenover geduld. Veel huidige toeschouwers zullen die tiende druppel misschien nog meemaken. De elfde is al een ander verhaal.
Wat deze trage stroom vertelt over materie
Onder de stolp draait alles om een simpel natuurkundig inzicht: sommige materialen die wij als vast ervaren, gedragen zich op langere tijdschalen als vloeistoffen. Pek is een extreem voorbeeld. Het vervormt, vloeit, geeft langzaam mee aan krachten die wij doorgaans als constant en vanzelfsprekend beschouwen.
Voor studenten en bezoekers is dat vaak een kleine schok. Je raakt gewend aan het idee dat de wereld netjes verdeeld is in vast, vloeibaar en gasvormig. Dan staat daar opeens een experiment dat zegt: kijk lang genoeg, en de grenzen vervagen. De pek illustreert hoe traag een vloeistof kan zijn zonder haar aard te verliezen, en hoe beperkt onze directe waarneming is als het om heel lange tijden gaat.
Diezelfde logica duikt elders in de wetenschap op. In geologie, waar continenten schuiven met snelheden van centimeters per jaar. In klimaatonderzoek, waar langzaam stijgende curves decennia nodig hebben om onmiskenbaar te worden. Het pitch drop-experiment is geen sleutel tot een nieuw technologisch wonder, maar het laat voelbaar zien wat een extreem hoge viscositeit betekent in de praktijk.
Een metafoor die blijft druppelen
Naast de harde cijfers heeft het experiment een tweede leven gekregen als symbool. Het staat voor wetenschap die zich niet laat dicteren door nieuwsagenda’s of projectdeadlines. Voor onderzoek dat bereid is menselijke levens voorbij te gaan om een eenvoudig principe uit te spelen tot het uiterste.
Het beeld is verleidelijk: de waarheid als een zwarte, stroperige vloeistof die zich maar mondjesmaat prijsgeeft. Elke druppel die valt is het resultaat van jaren van onzichtbare verschuiving en rek. De stroom is continu, maar wij pikken alleen de zeldzame momenten op waarop er iets werkelijk verandert.
In een tijdperk waarin resultaten snel, zichtbaar en direct toepasbaar moeten zijn, oogt zo’n opstelling bijna ouderwets. Toch trekt ze nog steeds belangstellenden aan, zowel fysici als toevallige passanten. De gedachte dat een experiment bijna honderd jaar onafgebroken loopt, werkt op zichzelf al vervreemdend en geruststellend tegelijk.
Een eeuw in één trechter
Terwijl het honderdjarig bestaan nadert, blijft de trechter onverstoorbaar hangen in haar glazen vitrine. Generaties onderzoekers zijn gekomen en gegaan, technieken zijn veranderd, het lab eromheen is gemoderniseerd. De pek, dik en donker, doet in stilte wat zij al sinds 1930 doet: langzaam zakken, zich uitstrekken, de volgende druppel voorbereiden.
Het experiment is inmiddels meer dan een meetopstelling. Het is een klein monument voor volharding in de natuurkunde, en voor het soort vragen dat niet in maanden of jaren wordt beantwoord maar in decennia. Of iemand uiteindelijk de tiende druppel werkelijk zal zien vallen, is minder bepalend dan het feit dat er wordt doorgekeken. De trechter herinnert eraan dat sommige processen zich niets aantrekken van onze haast, en dat juist daarin een helder soort kennis verborgen kan liggen.